Voor literatuurlijst klik hier.

 

 

Uw naaste liefhebben –

wat betekent

dat nu precies?

 

 

Ware vriendschap is uw leven geven. Het voorbeeld van een jong meisje vormt een illustratie van Gods definitie van vriendschap. Rachel de Beers was een jong meisje uit de 19e eeuw dat in Zuid-Afrika woonde. Haar ouders waren arm, en Rachel en haar jongere broertje Jamie hadden de taak het vee te hoeden. Op een dag merkten Rachel en Jamie dat er een kalf weg was, en zij gingen ernaar zoeken. Bij deze speurtocht dwaalden zij steeds verder van de vertrouwde weiden af. Het werd al snel donker en zij beseften dat zij waren verdwaald. Het was winter en het begon te sneeuwen. De sneeuwstorm bereikte in die nacht een hoogtepunt en ging de volgende morgen liggen.


 

Niets ervoor terug

 

De opsporingsploeg had de 12-jarige Rachel en haar 6-jarige broertje al gauw gevonden.

Gedurende de nacht had Rachel een grote mierenhoop gevonden en uitgegraven. Zij had haar kleren uitgedaan, haar broertje erin gewikkeld en hem in de holle aardhoop laten kruipen. Toen had zij zich naakt over de ingang heen gelegd om hem warm te houden.

De volgende dag trof de opsporingsploeg een levende Jamie in de mierenhoop aan, terwijl Rachel nog steeds over de opening heen lag.

Zij was in de sneeuw gestorven.

Rachel de Beers gaf zonder iets terug te verwachten. En zij gaf alles wat zij had!

Het inspirerende voorbeeld van Rachel herinnert ons aan het soort liefde die door God met het Griekse woord agape in het Nieuwe Testament beschreven wordt als de volmaakte liefde. 1 Corinthiërs 13:13: „Zo blijven dan: Geloof, hoop en liefde, deze drie, maar de meeste van deze is de liefde.” Agape, de liefde van God, wordt gekenmerkt door onvoorwaardelijk, onzelfzuchtig geven. Het is een bewuste keuze om te geven zonder iets terug te krijgen.

Dit soort goddelijke liefde behoren ware christenen uit te stralen!

De mensen die ons gewoonlijk het meest inspireren zijn zij van wie de handelwijze door dit soort onbaatzuchtige liefde wordt bepaald. Wanneer wij denken aan mensen die wij als onze ware vrienden beschouwen, denken wij meestal aan hen die iets voor ons hebben gedaan op een tijdstip dat wij niet bij machte waren om iets terug te doen.

Als mensen werkelijk worden gemotiveerd door een geest van geven in plaats van door een geest van nemen, dienen zij anderen zonder zich af te vragen of zij er iets voor terug zullen krijgen.

 

 

Gods eigen liefde

 

Uit een fysiek oogpunt is het gemakkelijk te geven aan hen die aan ons geven. De ware test van ons christen-zijn is of wij aan onze vijanden kunnen geven. Het dienen van onze vijanden is het toppunt van christelijke liefde, omdat het een volkomen onzelfzuchtig-zijn inhoudt.

Goddelijke liefde is natuurlijk niet iets wat wij met onze geboorte meekrijgen of wat wij door onze natuur bezitten. Daarom moeten wij God voortdurend vragen om zijn Geest van liefde – wij moeten Hem vragen om onze menselijke natuur te vervangen door zijn natuur. 2 Corinthiërs 10:5: „Zodat wij de redeneringen en elke schans, die opgeworpen wordt tegen de kennis van God, slechten, elk bedenksel als krijgsgevangene brengen onder de gehoorzaamheid aan Christus.”

En bedenk: als wij met de hulp van Gods Geest besluiten om onze vijanden lief te hebben, wordt het veel gemakkelijker om alle andere mensen lief te hebben! Door specifiek de keuze te maken om anderen zonder uitzondering lief te hebben zonder iets terug te verwachten, ontwikkelen wij het karakter van God. Romeinen 12:9-13: „De liefde zij ongeveinsd. Weest afkerig van het kwade, gehecht aan het goede. Weest in broederliefde elkander genegen, in eerbetoon elkander ten voorbeeld, in ijver onverdroten, vurig van geest, dient de Here. Weest blijde in de hoop, geduldig in de verdrukking, volhardend in het gebed, bijdragend in de noden der heiligen, legt u toe op de gastvrijheid.”

Liefde is ten slotte een eigenschap die blijft – voor eeuwig. Ons fysieke leven niet. Jakobus 4:13-14: „Welaan dan, gij, die zegt: Vandaag of morgen gaan wij op reis naar die en die stad, wij zullen er een jaar doorbrengen, zaken doen en winst maken; gij, die niet eens weet, hoe morgen uw leven zijn zal! Want gij zijt een damp, die voor een korte tijd verschijnt en daarna verdwijnt.” Als ons leven voorbij is, zullen wij alleen het goddelijke karakter nog hebben dat wij hebben ontwikkeld door anderen te dienen en niets meer van de fysieke bezittingen die wij in dit leven trachten te verkrijgen. 1 Timotheüs 6:17-19: „Hun, die rijk zijn in de tegenwoordige wereld, moet gij bevelen niet hooghartig te zijn, en hun hoop gevestigd te houden niet op onzekere rijkdom, doch op God, die ons alles rijkelijk ten gebruike geeft, om wel te doen, rijk te zijn in goede werken, vrijgevig en mededeelzaam, waardoor zij zich een vaste grondslag voor de toekomst verzekeren om het ware leven te grijpen.” Die goddelijke instelling en natuur die in ons zijn ingeworteld, zullen ons geschikt maken voor het eeuwige leven in Gods Koninkrijk!

God wordt het liefhebben nooit moe en dat behoort met ons ook zo te zijn. Wanneer wij ons verbinden aan Gods levenswijze van geven, kunnen wij in deze veranderende wereld werkelijke stabiliteit vinden, omdat Gods levenswijze van geven het enige is dat blijft. 1 Johannes 2:17: „En de wereld gaat voorbij en haar begeren, maar wie de wil van God doet, blijft tot in eeuwigheid.”

Wanneer wij onzelfzuchtig aan anderen geven, zijn wij gelukkig, omdat wij Gods levenswijze volgen. Handelingen 20:33-35: „Ik heb niemands zilver of goud of kleding begeerd; zelf weet gij, dat deze handen in mijn behoeften en in die van hen, die bij mij waren, hebben voorzien. Ik heb u in alles getoond, dat men door zo te arbeiden zich de zwakken moet aantrekken en zich de woorden van de Here Jezus herinneren, die zelf gezegd heeft: Het is zaliger te geven dan te ontvangen.” Wij delen dus in de geestelijke vruchten van Gods natuur. Galaten 5:22-23: „Maar de vrucht van de Geest is liefde, blijdschap, vrede, lankmoedigheid, vriendelijkheid, goedheid, trouw, zachtmoedigheid, zelfbeheersing. Tegen zodanige mensen is de wet niet.” Wij ervaren de diepe vreugde van onzelfzuchtig liefde geven en ontvangen.

 

 

Een eeuwigheid van geven

 

Bij de opstanding zullen wij letterlijk als kinderen van God geboren worden. 1 Corinthiërs 15:52: „In een ondeelbaar ogenblik, bij de laatste bazuin, want de bazuin zal klinken en de doden zullen onvergankelijk opgewekt worden en wij zullen veranderd worden.” Wij zullen dan deskundig zijn in de levenswijze van geven, en wij zullen ons hebben gekwalificeerd om eeuwig op Gods niveau te leven – wij zullen een stimulerend, nieuw leven in Gods Gezin hebben, en op nog grotere schaal dienstbaar zijn. Openbaring 3:21: „Wie overwint, hem zal Ik geven met Mij te zitten op mijn troon, gelijk ook Ik heb overwonnen en gezeten ben met mijn Vader op zijn troon.” Openbaring 5:10: „En Gij hebt hen voor onze God gemaakt tot een koninkrijk en tot priesters, en zij zullen als koningen heersen op de aarde.” Mattheüs 25:21: „Zijn heer zeide tot hem. Wel gedaan, gij goede en getrouwe slaaf, over weinig zijt gij getrouw geweest, over veel zal ik u stellen; ga in tot het feest van uw heer.” Dan zullen wij liefde zijn, net als God liefde is. 1 Johannes 4:16: „En wij hebben de liefde onderkend en geloofd, die God jegens ons heeft. God is liefde, en wie in de liefde blijft, blijft in God en God blijft in hem.”

Wanneer wij onvoorwaardelijk geven aan anderen, beelden wij onze eigen bestemming uit. 1 Thessalonicenzen 3:12-13: „En u doe de Here toenemen en overvloedig worden in de liefde tot elkander en tot allen (zoals ook wij gezind zijn jegens u), om uw harten te versterken, zodat zij onberispelijk zijn in heiligheid voor onze God en Vader bij de komst van onze Here Jezus met al zijn heiligen.”

Daarom zegt God dat „zuivere en onbevlekte godsdienst voor God, de Vader, is: omzien naar wezen en weduwen in hun druk” (Jakobus 1:27), want zij kunnen ons niets teruggeven. God zegt ook dat wij, als wij een maaltijd willen aanbieden, mensen moeten uitnodigen die niet zo voorspoedig zijn als wij, en niet alleen mensen die in staat zijn om op hun beurt ons uit te nodigen. Lukas 14:12-14: „Hij zeide ook tot die Hem genodigd had: Wanneer gij een middagmaaltijd of avondmaaltijd aanricht, roep dan niet uw vrienden of uw broeders of uw verwanten of uw rijke buren; die zouden immers op hun beurt u ook kunnen uitnodigen en gij zoudt terugbetaling ontvangen. Maar wanneer gij een gastmaal aanricht, nodig dan bedelaars, misvormden, lammen en blinden. En gij zult zalig zijn, omdat zij niets hebben om u terug te betalen. Want het zal u terugbetaald worden bij de opstanding der rechtvaardigen.”

Als wij de behoeften van anderen zien en daarin voorzien, worden wij als God. 1 Johannes 3:16-17: „Hieraan hebben wij de liefde leren kennen, dat Hij zijn leven voor ons heeft ingezet; ook wij behoren dan voor de broeders ons leven in te zetten Wie nu in de wereld een bestaan heeft en zijn broeder gebrek ziet lijden, maar zijn binnenste voor hem toesluit, hoe blijft de liefde Gods in hem?” Wij maken de snelste geestelijke groei door als ons hart aan de vervulling van Gods grote opdracht is gewijd: het geven van een waarschuwing en tevens een boodschap van hoop aan deze stervende wereld. Ezechiël 33:2-6: „Mensenkind, spreek tot uw volksgenoten en zeg tot hen: wanneer Ik over een land het zwaard breng, en de inwoners van dat land hebben uit hun midden iemand gekozen en tot wachter aangesteld, en deze ziet het zwaard over dat land komen, en blaast op de bazuin en waarschuwt het volk, als dan iemand wel het geluid van de bazuin hoort, maar zich niet laat waarschuwen, en het zwaard komt en rukt hem weg, dan komt diens bloed over zijn eigen hoofd. Hij heeft het geluid van de bazuin gehoord, maar zich niet laten waarschuwen; zijn bloed komt over hemzelf; als hij zich had laten waarschuwen, zou hij zijn leven hebben gered. Maar wanneer de wachter het zwaard ziet komen, doch niet op de bazuin blaast, zodat het volk niet gewaarschuwd wordt; En het zwaard komt en rukt iemand van hen weg, dan wordt hij wel weggerukt in zijn eigen ongerechtigheid, maar van zijn bloed zal Ik de wachter rekenschap vragen.” Vers 8-9: „Als Ik tot de goddeloze zeg: Goddeloze, gij zult zeker sterven! Maar gij spreekt niet om de goddeloze te waarschuwen voor zijn weg, dan zal die goddeloze in zijn eigen ongerechtigheid sterven, maar van zijn bloed zal Ik u rekenschap vragen. Maar als gij een goddeloze waarschuwt om zich van zijn weg te bekeren, doch hij bekeert zich daarvan niet, dan zal hij in zijn eigen ongerechtigheid sterven, maar gij hebt uw leven gered.” Mattheüs 24:14: „En dit evangelie van het Koninkrijk zal in de gehele wereld gepredikt worden tot een getuigenis voor alle volken, en dan zal het einde gekomen zijn.”

 

 

„Niemand heeft grotere liefde”

 

Onze relatie met de wereld is er een van ware vriendschap als wij ons leven geheel aan het geven aan anderen wijden. Dit is zeker niet het soort ’vriendschap’ die de kwade wegen van de wereld accepteert en volgt. 1 Johannes 2:15: „Hebt de wereld niet lief en hetgeen in de wereld is. Indien iemand de wereld liefheeft, de liefde des Vaders is niet in hem.” Liefde voor de naaste betekent niet iemand naar de mond praten. Galaten 1:10: „Tracht ik thans mensen te winnen, of God? Of zoek ik mensen te behagen? Indien ik nog mensen trachtte te behagen, zou ik geen dienstknecht van Christus zijn.” Jakobus 4:4: „Overspeligen [ook de mensen die God zeggen te dienen, maar deelhebben aan wereldse, goddeloze, zaken], weet gij niet, dat de vriendschap met de wereld vijandschap tegen God is? Wie dus een vriend der wereld wil zijn, wordt metterdaad een vijand van God.”

Jezus leerde dat liefde – liefde voor God en de naaste – alleen in de praktijk gebracht kan worden door de instructies van God op te volgen. God gebruikt het woord ’geboden’. Maar aan dat woord heeft de ’christelijke’ wereld een steeds grotere afkeer gekregen.

2 Johannes 1:6: „En dit is de liefde, dat wij naar zijn geboden wandelen. Dit is het gebod, gelijk gij het van den beginne gehoord hebt, dat gij daarin moet wandelen.”

Ook voor het woord ’wet’ is een algemene afkeer.

Romeinen 13:10: „De liefde doet de naaste geen kwaad; daarom is de liefde de vervulling der wet.”

Zo heeft God bepaald – ja middels een ’gebod’ – dat de zevende dag de wekelijkse heilige dag van God is. Jezus zei dat Hij Heer is over de sabbat. Wie de zondag in acht neemt heeft de wereld lief.

Als een medegemeentelid of leraar iemand attendeert op een schending van een gebod, gebeurt dat uit liefde. Daarop mag niet venijnig worden gereageerd, maar dankbaar, want de waarschuwing gaat over dood en leven.

Mattheüs 19:17: „Hij [Jezus] zeide tot hem: Wat vraagt gij Mij naar het goede? Eén is de Goede. Maar indien gij het leven wilt binnengaan, onderhoud de geboden.”

We moeten niet ondankbaar zijn als een voorbijganger aanbelt en waarschuwt dat er vlammen uit het slaapkamerraam komen.

Het soort vriendschap en liefde wat onze drijfveer moet zijn, is die God betoonde toen Hij zijn enige Zoon, Jezus, gaf opdat de wereld zou worden gered. Johannes 3:16: „Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder, die in Hem gelooft, niet verloren ga, maar eeuwig leven hebbe.”

Wanneer wij aan anderen willen geven, maken wij ons er niet druk om dat anderen niet aan ons geven en zijn wij niet bang iets te verliezen. Markus 8:35-36: „Want ieder, die zijn leven zal willen behouden, die zal het verliezen; maar ieder, die zijn leven verliezen zal om Mijnentwil en om des evangelies wil, die zal het behouden. Want wat baat het een mens de gehele wereld te winnen en aan zijn ziel schade te lijden?” „De volmaakte liefde drijft de vrees uit”, staat in 1 Johannes 4:18. Wanneer wij door goddelijke liefde worden gemotiveerd zijn wij niet bang om, zelfs voor onze vijanden, ons leven te geven.

Rachel de Beers gaf zichzelf zonder iets terug te verwachten. Zij was een ware vriendin. Wij kunnen ook en zelfs meer uitkijken naar de opstanding, wanneer wij Jezus Christus zullen ontmoeten, onze Oudste Broer, die zijn leven heeft gegeven, geheel uit goddelijke liefde, zonder iets terug te verwachten. Hij is onze meest getrouwe, meest loyale vriend.

Zoals Jezus zelf in Johannes 15:13 zei: „Niemand heeft grotere liefde, dan dat hij zijn leven inzet voor zijn vrienden.”

 

 

Wie is onze naaste?

 

De wetgeleerde had zich vastgepraat en dat wist hij ook. Hij was eropuit geweest om Christus te slim af te zijn, om deze opschepperige timmerman uit Nazareth hoe dan ook in verlegenheid te brengen.

Maar deze opzet had een averechtse uitwerking. In plaats van Christus in de val te lokken, overtuigde Christus hem.

Lukas 10:25: „En zie, een wetgeleerde stond op om Hem te verzoeken en zeide: Meester, wat moet ik doen om het eeuwige leven te beërven?”

Christus speelde de vraag terug: „Wat staat in de wet geschreven? Hoe leest gij?” (vers 26.)

Opletten geblazen, dacht de wetgeleerde. Toen noemde hij in antwoord op Christus' vraag de twee grote geboden: „Gij zult de Here, uw God, liefhebben uit geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw kracht en met geheel uw verstand, en uw naaste als uzelf” (vers 27).

Zo, wat kon Hij daarop antwoorden?

Christus was het echter met hem eens! „Gij hebt juist geantwoord”, zei Jezus. „Doe dat en gij zult leven” (vers 28).

Het gesprek verliep zeker niet zoals de wetgeleerde verwacht had. Hij wist wel dat, hoewel hij de Bijbel goed kende, hij niet gewoon was die kennis in praktijk te brengen – God niet volkomen gehoorzaamde.

En zelfs nu kwam zijn vleselijke gezindheid in opstand. Hij kon niet toelaten dat Jezus hem een slecht figuur liet slaan – en hij kon zeker niet toegeven dat Christus gelijk had, en zijn levenswijze gaan veranderen.

„Maar hij wilde zich rechtvaardigen en zeide tot Jezus: En wie is mijn naaste?” (vers 29.)

Dat is het, dacht de wetgeleerde. Ik zal doen alsof ik niet weet waar deze ’profeet’ het over heeft. Wellicht de enige manier om uit de hoek te komen, waarin hij zichzelf gepraat had, was met Christus te argumenteren over terminologie. Wat bedoelde Jezus per slot van rekening met „naaste”?

Doen wij dat ook? Proberen wij ons ook te rechtvaardigen door te doen alsof we niet weten wie onze naasten zijn?

Wie is onze naaste? Onze buurman? De persoon, die naast u werkt? Is het iemand, die in moeilijkheden zit en hulp nodig heeft? Slaat de term naaste alleen op leden van uw familie of ook op degenen buiten uw directe familie?

 

 

Geestelijk onderscheiden

 

Het probleem is niet te bepalen wie onze naaste is. Het werkelijke probleem is onze naaste lief te hebben zoals het van ons gevraagd wordt.

Hetzelfde was het geval met de wetgever in bovenstaand voorbeeld. Heel waarschijnlijk nam hij aan dat hij het eerste grote gebod om God lief te hebben had vervuld. Hij wilde echter niet veroordeeld worden voor schending van het tweede grote gebod door zich onverschillig ten aanzien van zijn naaste te gedragen.

Evenmin wil iemand van ons veroordeeld worden – maar we zijn allemaal al veroordeeld als we het gebod om onze naaste lief te hebben niet leren gehoorzamen!

De werkelijke vraag van de wetgeleerde was niet: „Wie is mijn naaste?” Hij wist wie zijn naaste was, evenals ieder van ons weet wie zijn naaste is: onze naaste is elke persoon met wie we in contact komen.

Het werkelijke probleem van de wetgeleerde was dat hij door zijn vleselijke gezindheid 1) zijn naaste niet wilde liefhebben en 2) niet wist hoe hij zijn naaste moest liefhebben, zelfs al had hij dat gewild. Dit is ook ons probleem. De mens, onder Satans invloed, is van nature iemand die zijn naaste beconcurreert en haat toedraagt, hem niet goedgezind is, laat staan zich iets aan hem gelegen laat liggen.

Het probleem van het willen liefhebben of het weten hoe we onze naaste moeten liefhebben, is een geestelijk probleem. God verklaart in Romeinen 8:6-7: „Want de gezindheid van het vlees is de dood, maar de gezindheid van de Geest is leven en vrede. Daarom dat de gezindheid van het vlees vijandschap is tegen God; want het onderwerpt zich niet aan de wet Gods; trouwens, het kan dat ook niet.”

Gods wet is geestelijk. De mens kan van nature geen geestelijke waarheid waarnemen – God moet het openbaren. Dat is de reden waarom we door de hele menselijke geschiedenis heen de mens met zijn naaste in conflict zien.

 

 

Uws broeders hoeder?

 

We kunnen de gevolgen van deze vleselijke benadering van de naaste zien in de vroegste geschiedenis van de mens, in het voorbeeld van Kaïn en Abel.

Adam, de vader van Kaïn en Abel en onze eerste voorouder, had van de boom der kennis van goed en kwaad in de hof van Eden genomen. Adam verkoos voor zichzelf uit te maken hoe zijn relatie met God en zijn medemens zou zijn. Let op de invloed, die Adams beslissing op zijn kinderen had.

Na verloop van tijd brachten zowel Kaïn als Abel een offer aan God. Abels offer werd geaccepteerd, Kaïns offer echter niet. De redenen waarom het ene offer acceptabel was en het andere niet, laten we hier buiten beschouwing. Het feit blijft dat Kaïns offer onaanvaardbaar was voor God. Kaïn was nalatig en hebzuchtig en zijn offer was God onwelgevallig.

God vroeg Kaïn naar de reden voor zijn betrokken gelaat en zijn slechte houding. God herinnerde Kaïn eraan dat, als hij Hem gehoorzaamde en deed wat hij behoorde te doen, zijn offer eveneens aanvaard zou worden, evenals dat van Abel. Genesis 4:6-7: „En de HERE zeide tot Kaïn: Waarom zijt gij toornig en waarom is uw gelaat betrokken? Moogt gij het niet opheffen, indien gij goed handelt? Doch indien gij niet goed handelt, ligt de zonde als een belager aan de deur, wiens begeerte naar u uitgaat, doch over wie gij moet heersen.” Als Kaïn echter besloot door te gaan God en zichzelf te bedriegen, dan was er sprake van zonde.

Maar Kaïns reactie getuigde niet van spijt of berouw. Hij bood niet zijn excuses aan God aan; had geen berouw over zijn ondeugdelijk offer en was niet van plan de fout te herstellen. Integendeel, hoe meer Kaïn erover nadacht, des te verontwaardigder hij werd.

Kaïns zelfrespect was geschaad. Als hij zich vergeleek met zijn broer Abel, dan schoot hij tekort. Dit raakte Kaïn zeer diep. Maar in plaats van zijn benadering en houding te verbeteren, liet Kaïn zijn woede en frustratie zo hoog oplopen, dat hij zijn broer Abel vermoordde. Wat loste dit uiteindelijk op? Niets.

Kaïn besefte niet dat de oorzaak van zijn verwrongen geest bij hemzelf lag, door zijn ongehoorzaamheid aan God en aan Gods wet. Zijn menselijke natuur bracht hem ertoe de hele zaak op zijn broer af te reageren, die part noch deel aan zijn zonde had. Al wat Abel deed, was God gehoorzamen.

Kaïns houding van na-ijver veroorzaakte geweld binnen de menselijke familie in een tijd dat er slechts een handjevol mensen op aarde was. Maar Kaïn begreep niet wat het probleem was.

Evenmin kan iemand van ons zijn gevoelens ten opzichte van zijn naaste goed onderscheiden zolang God deze niet aan ons openbaart. Pas wanneer dit gebeurt, dan en alleen dan kunnen we onze houding corrigeren.

Nadat Kaïn Abel vermoord had, vroeg God hem: „Waar is uw broeder Abel?” (vers 9.) God wist natuurlijk wel wat er gebeurd was, vandaar dat de vraag ter overtuiging (van zonde) en ter correctie bedoeld was.

Kaïn antwoordde (vers 9): „Ik weet het niet; ben ik mijns broeders hoeder?” Kaïn reageerde kwaad en vijandig op Gods vraag. Vergelijk dat eens met het Zuid-Afrikaanse meisje dat werkelijk haar „broeders hoeder” was.

Kaïns reactie is onmogelijk voor iemand met een bekeerde geest. Maar de weg van de vleselijk gerichte gezindheid is wrok tegen God en wedijver, jaloersheid, vijandige rivaliteit en hebzucht ten aanzien van de naaste.

Een in zijn branche bekende industrieel gaf in het openbaar commentaar naar aanleiding van de wedijver, die er in zijn eigen onderneming bestond. Deze man, voorzitter van de raad van bestuur van zijn maatschappij, verklaarde: „Dit is een keihard bedrijf. Men is niet tevreden met alleen eigen succes – men wil bovendien dat de ander mislukt.”

Een ontstellende uitspraak met betrekking tot de natuurlijke, vleselijk gerichte gezindheid van de mens tot zijn naaste!

 

 

Gods wet verhoogd

 

De eerste stap naar vervulling van Gods gebod om onze naaste lief te hebben als onszelf, is te beseffen dat we onze naaste geenszins werkelijk liefhebben. We kunnen het niet eens – vanuit onszelf. We zijn geneigd tot egoïsme; willen altijd het beste voor onszelf; zijn steeds in concurrentiestrijd met onze naaste; en zien hem graag mislukken terwijl wij slagen.

God stelde het doel voor het menselijk bestaan vast, maar de mens, die van God afgesneden is, kent dat doel niet. God moet het openbaren.

God schiep de mens om een deel van Gods eigen gezin te worden. Als we Gods doel willen bereiken, moeten we voor het leven kiezen en Gods weg volgen.

Het goddelijk perspectief is dat we zowel voor onze naaste als voor onszelf het beste moeten wensen. Het beste voor onze naaste is dat hij of zij eveneens een lid van Gods gezin wordt. Met dit perspectief in gedachten zullen we vastbesloten zijn om onze naaste geen pijn te doen. We willen met hem of haar niet meer in concurrentiestrijd gewikkeld zijn.

Jezus Christus, die Gods geboden aan fysiek Israël gaf, verheerlijkte deze geestelijke wetten in het Nieuwe Testament.

Neem bijvoorbeeld het zesde gebod: „Gij zult niet doodslaan” (Exodus 20:13), en bedenk eens hoe het van toepassing is op het liefhebben van uw naaste.

Nadat Christus dit gebod heeft verheerlijkt, betekent het dat we onze naaste niet moeten haten, verafschuwen of met hem moeten wedijveren. Mattheüs 5:21-24: „Gij hebt gehoord, dat tot de ouden gezegd is: Gij zult niet doodslaan; en: Wie doodslag pleegt, zal vervallen aan het gerecht. Maar Ik zeg u: Een ieder, die in toorn leeft tegen zijn broeder, zal vervallen aan het gerecht. Wie tot zijn broeder zegt: Leeghoofd, zal vervallen aan de Hoge Raad, en wie zegt: Dwaas, zal vervallen aan het hellevuur. Wanneer gij dan uw gave brengt naar het altaar en u daar herinnert, dat uw broeder iets tegen u heeft, laat uw gave daar, voor het altaar, en ga eerst heen, verzoen u met uw broeder en kom en offer daarna uw gave.” Het betekent dat we onze naaste liefde moeten toedragen op elke manier en met alles wat we doen. We behoren steeds het potentieel van onze naaste in Gods plan in gedachten te houden.

De Tien Geboden vervolgen met: „Gij zult niet echtbreken” (Exodus 20:14). In geestelijk opzicht is het evenmin toegestaan dat we ook maar onze begeerte naar onze naaste doen uitgaan. Mattheüs 5:27-28: „Gij hebt gehoord, dat er gezegd is: Gij zult niet echtbreken. Maar Ik zeg u: Een ieder, die een vrouw aanziet om haar te begeren, heeft in zijn hart reeds echtbreuk met haar gepleegd.” Overweeg het volgende eens: Kunnen wij Gods gebod betreffende overspel met onze naaste breken, terwijl God die naaste evenals ons aan het voorbereiden is voor zijn gezin?

Daarna volgen de andere geboden. Exodus 20:15-17: „Gij zult niet stelen. Gij zult geen valse getuigenis spreken tegen uw naaste. Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is.” Al deze geboden, die door Christus zelf zijn verheerlijkt, onthullen hoe we onze naaste als onszelf behoren lief te hebben. Het houden van de geboden steunt op de wetenschap dat het lid zijn van Gods gezin bedoeld is voor ieder menselijk wezen. En ieder mens is onze naaste.

 

 

De behoeften van onze naaste

 

Onze naaste heeft verlangens en behoeften, evenals wij. Krijgen wij honger? Onze naaste ook. Kennen wij mensen die niet kunnen voorzien in het noodzakelijke voedsel voor hun gezin? De situatie is misschien ontstaan door werkeloosheid, ziekte of een ander probleem. Wanneer we zelf eten hebben, dan moeten we dit leren delen met hen die het ontberen. Dit is onze naaste liefhebben.

Hetzelfde geldt voor andere fundamentele behoeften als onderdak en kleding. We moeten leren de zegeningen die God ons geeft te delen.

Op welke andere wijze kunnen we ware christelijke liefde jegens onze naaste tonen?

Denkt u weleens aan iemand die pijn lijdt? Kent u iemand die ziek is of iemand die bij een ongeval werd gewond.

Voor hun fysieke behoeften wordt wellicht al gezorgd. Maar geldt dat ook voor hun geestelijke behoeften? God verwacht van ons dat onze gedachten naar hen uitgaan; dat we troost en verlichting bieden. Wanneer we anderen troosten, brengen we Gods liefde tot uitdrukking. We hebben allemaal nodig dat anderen ons hun liefde tonen en we behoren diezelfde liefde aan anderen te laten blijken.

Wanneer onze naaste de eer te beurt valt in een bepaalde functie te worden aangesteld of voor een bepaalde prestatie te worden beloond, dan dienen wij deelgenoot van deze eer te zijn. Tonen we interesse in het leven van onze naaste, in zijn of haar gezinsleven, werk, verhuizing, verbouwing, ziekenhuisbezoek, studie, een andere school, verkeersongeluk, een geboorte. Voelen wij ons betrokken en uiten we dat? En delen wij onze belevenissen met anderen? 1 Corinthiërs 12:26: „Als één lid lijdt, lijden alle leden mede, als één lid eer ontvangt, delen alle leden in de vreugde.” Wat een schrille tegenstelling vormt dit met het commentaar van de industrieel, dat eerder aangehaald werd; deze verklaarde dat zijn naasten zich beijveren om hem te laten mislukken.

Beproevingen en testen vormen een alledaags onderdeel in het leven van ons allemaal. Wij kennen beproevingen en evenzo onze naaste.

Toen Christus de beproeving van zijn leven onderging, bad Hij voor Petrus, een belangrijk discipel, die Satan wilde uitschakelen. En Christus stond op het punt om zelf geofferd te worden. Wat een onzelfzuchtige liefde! Christus onderwees Petrus in Lukas 22:31-32: „Simon, Simon, zie, de satan heeft verlangd ulieden te ziften als de tarwe, maar Ik heb voor u gebeden, dat uw geloof niet zou bezwijken. En gij, als gij eenmaal tot bekering gekomen zijt, versterk dan uw broederen.”

Dit is het soort liefde dat wij onze naaste moeten betonen.

 

 

Geen verschil met het liefhebben van God

 

God zet zich eigenlijk in de plaats van onze naaste. Wat we aan onze naaste doen, doen we in feite aan God. Mattheüs 25:31-46: „Wanneer dan de Zoon des mensen komt in zijn heerlijkheid en al de engelen met Hem, dan zal Hij plaats nemen op de troon zijner heerlijkheid. En al de volken zullen voor Hem verzameld worden, en Hij zal ze van elkander scheiden, zoals de herder de schapen scheidt van de bokken, en Hij zal de schapen zetten aan zijn rechterhand en de bokken aan zijn linkerhand. Dan zal de Koning tot hen, die aan zijn rechterhand zijn, zeggen: Komt, gij gezegenden mijns Vaders, beërft het Koninkrijk, dat u bereid is van de grondlegging der wereld af. Want Ik heb honger geleden en gij hebt Mij te eten gegeven. Ik heb dorst geleden en gij hebt Mij te drinken gegeven, Ik ben een vreemdeling geweest en gij hebt Mij gehuisvest, naakt en gij hebt Mij gekleed, ziek en gij hebt Mij bezocht; Ik ben in de gevangenis geweest en gij zijt tot Mij gekomen. Dan zullen de rechtvaardigen Hem antwoorden, zeggende: Here, wanneer hebben wij U hongerig gezien en hebben wij U gevoed, of dorstig en hebben wij U te drinken gegeven? Wanneer hebben wij U als vreemdeling gezien en hebben U gehuisvest, of naakt, en hebben U gekleed? Wanneer hebben wij U ziek of in de gevangenis gezien en zijn tot U gekomen? En de Koning zal hun antwoorden en zeggen: Voorwaar, Ik zeg u, in zoverre gij dit aan één van deze mijn minste broeders hebt gedaan, hebt gij het Mij gedaan. Dan zal Hij ook tot hen, die aan zijn linkerhand zijn, zeggen: Gaat weg van Mij, gij vervloekten, naar het eeuwige vuur, dat voor de duivel en zijn engelen bereid is. Want Ik heb honger geleden en gij hebt Mij niet te eten gegeven, Ik heb dorst geleden en gij hebt Mij niet te drinken gegeven; Ik ben een vreemdeling geweest en gij hebt Mij niet gehuisvest, naakt en gij hebt Mij niet gekleed, ziek en in de gevangenis en gij hebt Mij niet bezocht. Dan zullen ook zij Hem antwoorden en zeggen: Here, wanneer hebben wij U hongerig gezien, of dorstig, of als vreemdeling, of naakt of ziek, of in de gevangenis, en hebben wij U niet gediend? Dan zal Hij hun antwoorden en zeggen: Voorwaar, Ik zeg u, in zoverre gij dit aan één van deze minsten niet gedaan hebt, hebt gij het ook aan Mij niet gedaan. En dezen zullen heengaan naar de eeuwige straf, maar de rechtvaardigen naar het eeuwige leven.” Wanneer we met iemand omgaan, staan we er dan altijd bij stil dat we hetgeen we aan die persoon doen, eigenlijk aan God doen?

Deze kennis zou belangrijke invloed moeten hebben, wanneer we onze relatie tot onze naaste beschouwen!

God voegt hier nog aan toe: 1 Johannes 4:20-21: „Indien iemand zegt: Ik heb God lief, doch zijn broeder haat, dan is hij een leugenaar; want wie zijn broeder, die hij gezien heeft, niet liefheeft, kan (ook) God, die hij niet gezien heeft, niet liefhebben. En dit gebod hebben wij van Hem: Wie God liefheeft, moet ook zijn broeder liefhebben.” Onze naasten – iedereen en geen enkele van hen uitgezonderd – zijn als Gods gelijkenis gemaakt en zullen deel uit mogen maken van Gods gezin. Psalmen 82:6: „Wel heb Ik gezegd: Gij zijt goden, ja, allen zonen des Allerhoogsten.”

Zouden we misschien nu enig idee kunnen krijgen van het belang dat God hecht aan relaties tussen mensen, die naar zijn beeld, als zijn gelijkenis zijn gemaakt?

Ieder mens is een potentieel lid van Gods gezin en we moeten er zorg voor dragen dat we niets doen wat onze naaste afhoudt Gods doel in zijn leven te vervullen. Dit moet het uitgangspunt zijn, waarop wij iedere gedachte en daad ten opzichte van onze naaste terugvoeren.

Christus leerde: „En gelijk gij wilt, dat u de mensen doen, doet gij hun evenzo” (Lukas 6:31). De apostel Johannes schreef: „Wij weten, dat wij overgegaan zijn uit de dood in het leven, omdat wij de broeders liefhebben. Wie niet liefheeft, blijft in de dood” (1 Johannes 3:14).

Indien we dit kunnen doen, dan bekijken we onze naaste vanuit Gods standpunt. Dit is onze naaste liefhebben als onszelf.

 

 

De kracht van waarderen

 

Wij moeten allen deze goddelijke eigenschap ontwikkelen.

„Dank je!” „Goed gedaan!” „Uitstekend!”

Klinken zulke woorden ons niet aangenaam in de oren? Natuurlijk, ze geven ons een prettig gevoel. En ook anderen ervaren een prettig gevoel als wij hun een oprechte blijk van waardering geven!

Waarom is het tegenwoordig zo moeilijk om waardering te tonen? Waarom zijn zoveel mensen zo „liefdeloos”? 2 Timotheüs 3:1-4: „Weet wel, dat er in de laatste dagen zware tijden zullen komen: want de mensen zullen zelfzuchtig zijn, geldgierig, pochers, vermetel, kwaadsprekers, aan hun ouders ongehoorzaam, ondankbaar, onheilig, liefdeloos, trouweloos, lasteraars, onmatig, onhandelbaar, afkerig van het goede, verraderlijk, roekeloos, opgeblazen, met meer liefde voor genot dan voor God.”

Een oprechte blijk van waardering kan anderen bemoedigen en motiveren. Het kan hen zelfs inspireren tot grotere geestelijke groei. Dit is een enorme kracht!

Waardering is iets op de juiste waarde schatten, het op prijs stellen. Schatten we alles op de juiste waarde?

 

 

Waardering voor God

 

Werkelijke waardering moeten wij allereerst leren tonen in onze relatie tot God.

Op welke waarde schatten we Gods liefdevolle zorgzaamheid voor ons? God is het meest positieve wezen in het universum en Hij moedigt ons aan ons voor te bereiden op een plaats in zijn komende Koninkrijk. Krijgt God van ons de waardering die Hij verdient? God is de grootste gever. In Jakobus 1:17 staat dat „iedere gave, die goed, en elk geschenk, dat volmaakt is” van Hem afkomstig is. Hij gaf zelfs het leven van zijn Zoon ter vergeving van onze zonden, en dat deed Hij voordat wij zelfs maar wisten wat er aan de hand was. Romeinen 5:8: „God echter bewijst zijn liefde jegens ons, doordat Christus, toen wij nog zondaren waren, voor ons gestorven is.”

Als wij ons hiervan niet bewust zijn – als wij God en wat Hij doet niet diep op prijs stellen – kunnen wij ook niet de juiste waardering tonen voor anderen.

 

 

De levenswijze van geven

 

Hoewel we aan de levenswijze van geven al flink aandacht hebben besteed, willen we die houding nogmaals benadrukken.

Satan de duivel is vastbesloten om elke kans op overeenstemming tussen ons en onze Vader in de hemel te vernietigen. Deze duivelse doelstelling heeft hem ertoe gedreven de mensheid al bijna 6000 jaar lang te misleiden. Onderdeel van die misleiding is het idee dat wij zelfstandig zijn, compleet, en niets nodig hebben. Dat was de basis van zijn aanval op Eva in de Hof van Eden. Genesis 3:1-5: „De slang nu was het listigste van alle dieren des velds, die de HERE God gemaakt had; en zij zeide tot de vrouw: God heeft zeker wel gezegd: Gij zult niet eten van enige boom in de hof? Toen zeide de vrouw tot de slang: Van de vrucht van het geboomte in de hof mogen wij eten, maar van de vrucht van de boom, die in het midden van de hof staat, heeft God gezegd: Gij zult daarvan niet eten noch die aanraken; anders zult gij sterven. De slang echter zeide tot de vrouw: Gij zult geenszins sterven, maar God weet, dat ten dage, dat gij daarvan eet, uw ogen geopend zullen worden, en gij als God zult zijn, kennende goed en kwaad.”

Uiteraard is het tegendeel juist waar. Wij hebben God nodig en ook andere mensen. Inderdaad, wij hebben ook elkaar nodig! Lees 1 Johannes 4:12: „Indien wij elkander liefhebben, blijft God in ons en zijn liefde is in ons volmaakt geworden.” Het bewijs dat het karakter van God in ons vervolmaakt wordt, is onze liefde voor elkaar.

Bewijzen wij onze liefde voor God door de wijze waarop we leven? Ziet God hoe wij sterke, meelevende relaties met anderen opbouwen? Ziet God hoe wij de mensen om ons heen sterken door middel van oprechte bewondering en waardering? Als dat het geval is, bewijst het dat we handelen naar de boodschap van God en niet naar die van Satan.

Dit alles maakt deel uit van de levenswijze van geven, de basis van Gods boodschap aan de mensheid. Eenvoudig gesteld, God wil dat wij Handelingen 20:35 geloven en daarnaar handelen: „Het is zaliger te geven dan te ontvangen.”

Het belangrijke punt hierbij is natuurlijk dat wij iets hebben om te geven. En met de hulp van God hebben wij iets. Wanneer wij een ander een blijk van waardering geven, geven wij iets heel belangrijks. Spreuken 12:25: „Kommer in het hart van de mens buigt het neder, maar een goed woord verblijdt het.” Spreuken 16:24: „Vriendelijke woorden zijn als honigzeem, zoet voor de ziel en medicijn voor het gebeente.”

Let op Hebreeën 10:24-25: „En laten wij op elkander acht geven om elkaar aan te vuren tot liefde en goede werken. Wij moeten onze eigen bijeenkomst niet verzuimen, zoals sommigen dat gewoon zijn, maar elkander aansporen, en dat des te meer, naarmate gij de dag ziet naderen.”

Deze zelfde boodschap bereikt ons in de aansporingen van 1 Thessalonicenzen 5:11: „Vermaant daarom elkander en bouwt elkander op, gelijk gij dit ook doet.”

God zegt ons duidelijk dat het belangrijk is ons bewust te zijn van de inspanningen en het succes van de mensen om ons heen. Daarin schuilt een bepaalde kracht. Iemand kan erdoor worden aangespoord om nog meer zijn best te doen.

Als wij anderen waardering willen tonen, moeten wij een goddelijk bewustzijn bezitten. Dit heeft veel te maken met waar wij aan denken. Denken we alleen maar aan onszelf en onze eigen belangen?

Bestudeer Filippenzen 4:8, waarin Paulus een opsomming geeft van de dingen waaraan wij moeten denken: „Voorts, broeders, al wat waar, al wat waardig, al wat rechtvaardig is, al wat rein, al wat beminnelijk, al wat welluidend is, al wat deugd heet en lof verdient, bedenkt dat.”

Let vooral op de zinsnede „[al wat] lof verdient, bedenkt dat.” Als wij dit doen, worden wij ons meer bewust van anderen.

In vers 9 zegt Paulus ons zijn voorbeeld te volgen. „Wat u geleerd en overgeleverd is, wat gij van mij gehoord en gezien hebt, breng dat in toepassing en de God des vredes zal met u zijn.” Dit goede voorbeeld kunnen wij zien door 2 Thessalonicenzen 1:3-4 te lezen, waarin hij grote waardering betoont aan de christenen van Thessalonica. „Wij behoren God te allen tijde om u te danken, broeders, zoals gepast is, omdat uw geloof zeer toeneemt en uw aller liefde jegens elkander sterker wordt, zodat wij zelf over u roemen bij de gemeenten Gods, vanwege uw volharding en uw geloof onder al uw vervolgingen en de verdrukkingen, die gij doorstaat.” Paulus complimenteerde hen niet alleen met hun vroegere gedrag, maar sprak tevens het vertrouwen uit dat zij zich ook in de toekomst aan God zouden overgeven. Hij wist dat deze oprechte waardering een grote bemoediging voor hen zou zijn om nog meer op God te vertrouwen en nog harder te werken.

Wij bezitten hetzelfde vermogen om andere mensen te inspireren.

 

 

Waardering voor anderen

 

Met hulp van God kunnen wij leren waardering voor anderen te tonen. Begin met te bidden om Gods inspiratie en vraag Hem u ervan te overtuigen dat het nodig is om waardering te tonen. Vraag Gods hulp om te leren uw gevoelens van waardering tot uitdrukking te brengen.

Vergeet niet dat waardering die niet uitgesproken wordt, nutteloos is!

Wij worden ons pas bewust van anderen als wij onze denkwijze aanpassen aan de levenswijze van geven. Zoals in Filippenzen 2:3-4 staat: „En ieder lette niet slechts op zijn eigen belang, maar ieder lette ook op dat van anderen.” Hiervoor hebben we de hulp van God nodig – het natuurlijke denken staat niet open voor het belang van anderen.

Een nieuwe gewoonte leren wij niet gemakkelijk aan. Wij moeten eraan werken om ons bewust te worden van situaties waarin een blijk van waardering mogelijk en wenselijk is en hierin de gevende houding van God in praktijk brengen.

Hoe vaak bedanken we bijvoorbeeld iemand ergens voor? Tonen we vrijuit onze waardering voor familieleden die iets goeds hebben gepresteerd? Hoe is het met collega's, de onderwijzers van onze kinderen, mensen die we een dienst bewijzen?

Wat voor voorbeeld geven wij onze kinderen? Nooit is onze waardering effectiever dan bij kinderen. Zij hebben er behoefte aan te weten dat wij hun pogingen om te doen wat goed is, zien en waarderen. Het voedt hun groei en ontwikkeling.

Als wij geen positieve, steunende, enthousiaste sfeer scheppen waarin waardering zonder terughoudendheid wordt geuit, moeten we erover bidden en nadenken en aan het werk gaan om dit te veranderen.

Wanneer het Koninkrijk van God op aarde is gevestigd, zullen de heiligen (de uit Gods geest geboren christenen) ambten bekleden onder de dan pas gekroonde, verheerlijkte Jezus Christus. De Koning der koningen zal in de gehele wereld zijn levenswijze, de levenswijze van vrede, instellen. Wij, als kinderen van God, zullen van deze regering deel uitmaken. Openbaring 3:11-12: „Ik kom spoedig; houd vast wat gij hebt, opdat niemand uw kroon neme. Wie overwint, hem zal Ik maken tot een zuil in de tempel mijns Gods en hij zal niet meer daaruit gaan; en Ik zal op hem schrijven de naam mijns Gods en de naam van de stad mijns Gods, het nieuwe Jeruzalem, dat uit de hemel nederdaalt van mijn God, en mijn nieuwe naam.”

Zijn wij daar klaar voor? Ontwikkelen wij Gods karakter en denkwijze in onszelf? Leren wij andere mensen te inspireren en te bemoedigen? In het Koninkrijk van God zal waardering een belangrijk middel zijn bij het bevorderen van geestelijke groei in het leven van de mens. Leren wij hoe belangrijk het is waardering te uiten?

Zo ja, dan zullen we eens het privilege genieten om de prachtige woorden van waardering te horen van onze positieve, bemoedigende God: „Voortreffelijk, goede slaaf” (Lukas 19:17).



Terug naar de Home Page